Dezelfde kleverige substantie die Neanderthalers gebruikten om stenen werktuigen te hanteren, kan ook hun favoriete antibioticum zijn geweest. Een nieuwe studie gepubliceerd in PLOS One suggereert dat berkenteer, aangemaakt door het verbranden van berkenschors, antibacteriële eigenschappen bezit die sterk genoeg zijn om infecties zoals Staphylococcus aureus te bestrijden. Dit roept de intrigerende mogelijkheid op dat vroege mensachtigen onbewust wonden behandelden met een primitieve vorm van medicijn.
Berkenteer: een stof met twee doeleinden
Archeoloog Tjaark Siemssen van de Universiteit van Oxford wijst erop dat berkenteer niet alleen een prehistorische lijm is. Moderne culturen – waaronder inheemse volkeren in het Noordpoolgebied en de Mi’kmaq in het oosten van Canada – gebruiken berkenextracten al lang medicinaal om huidinfecties te bestrijden, waaronder medicijnresistente stammen zoals MRSA. Het is wetenschappelijk bewezen dat deze traditionele remedies effectief zijn in het doden van schadelijke bacteriën.
Siemssens onderzoek onderzocht of de Neanderthalers, die actief berkenteer produceerden voor de gereedschapsmakerij, mogelijk geprofiteerd hadden van de antiseptische eigenschappen ervan. Hij stelt dat het aanbrengen van teer op wonden een logische uitbreiding is van de bekende toepassingen ervan. Het oude Homo sapiens gebruikte oker al als insectenwerend middel, wat erop wijst dat andere soorten over rudimentaire medische kennis zouden kunnen beschikken.
Het proces: een plakkerige, rommelige zaak
Het maken van berkenteer vereist een gecontroleerde verbranding onder luchtdichte omstandigheden. Neanderthalers verbrandden waarschijnlijk schors onder een rots en verzamelden de gecondenseerde dampen als teer. Moderne methoden maken gebruik van blikken vanwege de efficiëntie, maar het proces blijft rommelig: “Je krijgt je handen heel erg vuil. Het zit vooral op je huid”, merkt Siemssen op. Cruciaal is dat uit het onderzoek bleek dat alle teermonsters, ongeacht de productiemethode, antibacteriële eigenschappen vertoonden.
Wisten ze het? Het debat gaat verder
Als de Neanderthalers de productie van berkenteer onder de knie hadden, hadden ze misschien intuïtief het genezende potentieel ervan herkend. Een toegankelijk antisepticum zou een aanzienlijk overlevingsvoordeel zijn geweest in een barre omgeving. Er zijn aanwijzingen dat ze ook andere geneeskrachtige planten gebruikten (duizendblad en kamille die in de tanden voorkomen), wat het idee verder ondersteunt dat natuurlijke remedies een integraal onderdeel van hun leven waren.
Sommige archeologen blijven echter sceptisch. Karen Hardy van de Universiteit van Glasgow stelt dat de aanwezigheid van berkenteer als lijm niet automatisch een geneeskrachtige bedoeling bewijst. Ze benadrukt dat het milieu van de Neanderthalers rijk was aan andere potentiële antiseptica, waardoor het moeilijk is te concluderen dat ze specifiek berkenteer gebruikten voor genezing.
Een breder perspectief
Uiteindelijk onderstreept het onderzoek dat de Neanderthalers in een wereld leefden waaruit ze uitgebreid putten – zowel technologisch als medicinaal. Of het nu opzettelijk of per ongeluk was, de antibacteriële eigenschappen van berkenteer boden waarschijnlijk een voordeel, zelfs als ze niet begrepen waarom. De implicaties reiken verder dan de Neanderthalers; Dit onderzoek benadrukt hoe oude mensen uit praktische noodzaak op effectieve medicijnen konden zijn gestuit, lang vóór de komst van de formele gezondheidszorg.





























